header

Tekst van de maand februari 2017

Deze maand reflecteren we weer op het gebed: “O Thou, who art the light of our souls, the inspirer of our minds and the creator of our bodies, we humbly pray to be of service to Thee and to all of humanity as instruments of Thy divine love and light.”

Reflectie:

Focus op de zin: we humbly pray to be of service to Thee and to all of humanity. Overdenk vervolgens de teksten hierna over gebed en dienstbaarheid.

(De volgende maand bezinnen we ons op Gods Instrument zijn).

(Een) aspect van gebed is dat men zijn tekortkomingen voorlegt aan de onbeperkte volmaaktheid van het goddelijk wezen en dat men zijn vergiffenis vraagt. Dit maakt de mens bewust van zijn kleinheid, van zijn beperktheid, en dat maakt hem daarom nederig voor zijn God. (E van Rel Id Pag 28).

De Soefi Boodschap… leert de mensen dienen en zich nuttig te maken want dat alleen kan het leven in de wereld vruchtdragend maken; en daarin ligt de bevrediging van elke ziel. (Rel Gat 1).

Wij moeten onze diensten en onze tijd geven zowel aan hen die het verdienen als aan hen die het niet waard zijn, en wij moeten God dankbaar zijn dat Hij het ons mogelijk heeft gemaakt om te geven… Laten we onze diensten geven…maar… laat ons er niet op rekenen iets te ontvangen. (Alch vh Geluk pag 93).

Als je niet bezorgd bent over anderen, of niet over hen oordeelt, kun je mediteren, denken, stil zijn en tegelijkertijd dienstbaar zijn aan de wereld. (Vol 12 pag 92)

De mens kan zijn ziel nooit laten dansen, maar hij kan zichzelf wel tot een geschikt instrument maken om zijn ziel mee uit te drukken.

De vraag is op welke manier hij zich geschikt kan maken… Dat zal niet gebeuren door er over te praten, te discussiëren en te argumenteren, maar wel door zelfverwerkelijking, door onszelf tot voorbeelden te maken van hoe het zou moeten zijn, door liefde te geven en liefde te ontvangen en in ons handelen vriendelijkheid, consideratie en het verlangen naar dienstbaarheid te tonen ter wille van God, in Wie we ons allen kunnen verenigen voorbij de enge grenzen van ras en geloof. (Vriendel blik pag. 160/161 of Vol. XIV pag. 129-130)